Welk autostoeltje?
15 April 2008
Welk autokinderzitje (kinderbeveiligingsmiddel) u moet gebruiken hangt af van de lengte en het gewicht van het kind. Een autokinderzitje kan zijn: een babyautostoeltje, een kinderautostoeltje of een zittingverhoger.
Kind groter dan 1,35 meterIs uw kind groter dan 1,35 meter, dan moet uw kind de autogordel gebruiken (voor zover beschikbaar). Loopt de gordel over de hals in plaats van over de schouder, gebruik dan ook een goedgekeurde zittingverhoger.
Kind kleiner dan 1,35 meterIs uw kind kleiner dan 1,35 meter, dan hangt het van het gewicht van uw kind af welk kinderbeveiligingsmiddel u moet gebruiken:
- minder dan 13 kilo: babyautostoeltje (groep 0 en 0+);
- tussen 9 en 18 kilo: kinderautostoeltje (groep 1);
- tussen 15 en 36 kilo: zittingverhoger (groep 2 en 3);
- meer dan 36 kilo: autogordel, eventueel met zittingverhoger of afzonderlijke gordelgeleider (gordelclip/gordelklem).
Op het kinderzitje staat vermeld voor welke gewichtscategorie deze geschikt is. Naast het gewicht spelen ook de lengte en het postuur van het kind een rol bij de keuze van het meest geschikte kinderzitje. De overlap in gewicht vergroot de ruimte die u heeft om deze keuze te maken.
Groep 0 en 0+: BabyautostoelHet babyautostoeltje wordt tegen de rijrichting in geplaatst. Met de driepuntsgordel van de auto wordt het stoeltje vastgezet. Het kind wordt met een Y-gordel vastgemaakt. Sommige van deze stoeltjes kunnen ook met een zogeheten ISOFIX systeem worden vastgezet: aan de achterkant van het autostoeltje zitten dan twee uitsteeksels. Auto's die voor dit systeem zijn uitgerust hebben tussen de rugleuning en de zitting twee ankers. De uitsteeksels klikt u heel gemakkelijk in de ankers en het autostoeltje zit vast. Soms is er een derde bevestigingspunt. Kijk voor meer informatie in de handleiding van het autostoeltje.
Groep 1: KinderautostoelHet kinderautostoeltje is bedoeld voor kinderen die zelfstandig kunnen zitten. Het kind wordt met de vijfpuntsgordel van het autostoeltje vastgemaakt. Vaak hebben deze autostoeltjes meerdere standen en worden ze met de rijrichting mee geplaatst. Een kinderautostoeltje wordt met de autogordel of met ISOFIX bevestiging vastgezet.
Groep 2 en 3: Zittingverhoger Het kind zit op de zittingverhoger (ook wel booster seat genoemd) en wordt vastgemaakt met de autogordel. De zittingverhoger zorgt ervoor dat het diagonale deel van de autogordel niet langs de hals, maar over de schouder van het kind loopt. Ook zorgt de zittingverhoger ervoor dat de heupgordel over de heupen en niet over de buik loopt. Dit laatste kan voor ernstig inwendig letsel zorgen. Zittingverhogers zijn er met en zonder rugleuning. Het beste is om er een te kopen met (afneembare) rugleuning. De rugleuning is meestal in hoogte verstelbaar en zorgt voor betere zijwaartse steun als het kind onderweg in slaap valt. Bovendien biedt de rugleuning enige bescherming bij een aanrijding van opzij. Ook zorgt de rugleuning ervoor dat het kind iets naar voren komt en daardoor de knieën kan buigen. Dat zit prettiger en voorkomt onderuit zakken. Als het kind onderuitgezakt zit, zit de heupgordel niet goed meer en dat kan tot buikletsel leiden bij een botsing.
Kinderen zwaarder dan 36 kiloEr zijn geen autostoeltjes of zittingverhogers goedgekeurd voor kinderen boven de 36 kilo. Deze kinderen zouden dan alleen de autogordel moeten gebruiken. Loopt de gordel bij het kind over de hals loopt in plaats van over de schouder, dan is het verstandig om het kind toch op een zittingverhoger te vervoeren totdat hij/zij lang genoeg is om alleen de autogordel te gebruiken. Een andere mogelijkheid is om een apart aangeschafte gordelgeleider (gordelclip/gordelklem) te gebruiken. Kies alleen voor deze laatste optie als het echt niet anders kan.
Keurmerk kinderzitjesEen kinderzitje moet goedgekeurd zijn volgens de Europese veiligheidseisen: ECE 44/03 of 44/04. Alleen deze kinderzitjes mogen gebruikt worden. Ze zijn voorzien van een keuringslabel of keuringssticker. Daarop staat in een rondje de letter E plus een getal. Verder naar onderen staat het goedkeuringsnummer. Dit nummer moet beginnen met 03 of 04. Ook wordt het gewicht vermeld van de kinderen waarvoor het geschikt is. Een voorbeeld van een officieel label vindt u in de brochure Vervoer van kinderen in de auto. Vraag zonodig advies aan de verkoper.
Als de goedkeuring niet meer geldt, is het geen goedgekeurd kinderbeveiligingsmiddel meer. Een kinderzitje dat geen of een ECE R44/02 keurmerk heeft, mag niet langer gebruikt worden omdat de eisen waaraan deze bij de typekeuring moest voldoen is verouderd. De keuringseisen voor kinderzitjes worden periodiek aangepast aan nieuwe technische ontwikkelingen en inzichten. Er wordt onderzoek gedaan naar mogelijke verbeteringen.
Tweedehands en oude kinderzitjesBij de aanschaf van een tweedehands kinderzitje moet u nagaan of het zitje goed in de eigen auto past en of het kind goed in het zitje zit. Het juiste keurmerk moet aanwezig zijn en de handleiding moet worden meegeleverd. Koop alleen een tweedehands kinderzitje als u heel zeker weet dat er nooit een ongeluk mee is gebeurd. Door de kracht die bij een botsing op een autostoeltje kan worden uitgeoefend is het stoeltje daarna niet meer veilig te gebruiken.
Veel kinderzitjes zijn deels van kunststof gemaakt en blijven vaak in de auto achter, zowel bij vorst als in de brandende zon. Door jarenlange blootstelling van het kinderzitje aan zowel zeer lage als zeer hoge temperaturen neemt de sterkte van het materiaal geleidelijk af. Het is dan ook vanuit verschillende oogpunten niet aan te bevelen om een oud zitje te blijven gebruiken.
Regels voor het vervoeren van kinderen in een auto.
15 April 2008
Kinderen (onder kinderen wordt iedereen onder de 18 jaar verstaan) kleiner dan 1,35 meter moeten zowel voorin als achterin de auto in een goedgekeurd kinderbeveiligingsmiddel (autokinderzitje) worden vervoerd. Een kinderzitje kan zijn: een babyautostoeltje, een kinderautostoeltje of een zittingverhoger. Alle goedgekeurde kinderbeveiligingsmiddelen (inclusief zittingverhogers) mogen voorin en achterin de auto gebruikt worden.
Volwassenen en kinderen groter dan 1,35 meter moeten zowel voorin als achterin de auto de autogordel om en mogen zonodig ook een zittingverhoger gebruiken.
Bijzondere gevallen en uitzonderingenOp de regels zijn een aantal uitzonderingen. Een overzicht van de bijzondere gevallen en uitzonderingen vindt u op de website autokinderzitjes.nl.
Baby's tegen de rijrichting in / zitplaats met airbagBabyautostoeltjes voor baby's tot ongeveer 1 jaar staan altijd tegen de rijrichting in. Op een zitplaats met een airbag ervoor mogen baby's alleen worden vervoerd in een babyautostoeltje als de airbag is uitgeschakeld. Het autostoeltje kan namelijk door de airbag naar achteren worden geslagen, iets wat de baby mogelijk niet overleeft. Of dat uitschakelen mogelijk is en hoe dat moet, staat in de gebruiksaanwijzing van de auto of anders kan de garage wel helpen. Het is raadzaam om kinderen tot 12 jaar niet bij een airbag te zetten die ingeschakeld is. Kan het niet anders, zet dan de autostoel zo ver mogelijk naar achteren.
Gordels en kinderzitjes goed gebruikenHet is verplicht om de autogordels en kinderzitjes te gebruiken op de door de fabrikant voorgeschreven manier. Zo zijn ze ook getest. Het is bijvoorbeeld niet langer toegestaan het diagonale deel van de gordel achter de rug langs of onder de arm door te dragen. De gordel is niet ontworpen om zo te worden gebruikt en werkt dan ook niet goed. Ook voor zwangere vrouwen en hun ongeboren kind is het veel veiliger de gordel op de juiste manier te dragen: het heupgedeelte onder de buik, zo laag mogelijk over het bekken en het diagonale deel over de borst, boven de buik.
GordelverlengerEen gordelverlenger bij een kinderzitje is niet toegestaan. Is de gordel te kort, dan moet u een andere (goedgekeurde) autogordel laten monteren of een kinderzitje gebruiken dat wel met de originele gordel goed te bevestigen is.
GordelgeleiderEen gordelgeleider (gordelclip) moet ervoor zorgen dat het diagonale deel van de autogordel over de schouder loopt en niet over de hals. Een gordelgeleider kan deel uitmaken van een zittingverhoger. Er zijn ook afzonderlijke gordelgeleiders te koop. Deze laatste mogen niet gebruikt worden, behalve:
- door volwassenen;
- door kinderen zwaarder dan 36 kilo;
- in uitzonderingsgevallen waarin geen kinderzitje gebruikt hoeft te worden.
De afzonderlijke gordelgeleiders die in deze gevallen zijn toegestaan, moeten aan enkele eisen voldoen. Zij mogen alleen aan het diagonale deel van de autogordel zijn bevestigd. Een gordelgeleider die het heupdeel met het diagonale deel verbindt, is dus altijd verboden. Verder mag een gordelgeleider de goede werking van de gordel niet belemmeren en mag hij geen ruwe delen hebben die de gordel kunnen beschadigen. Voor kinderen blijft een zittingverhoger veiliger. Die zorgt er namelijk ook voor dat het heupgedeelte van de gordel over het bekken loopt en niet over de buik. Daardoor kan bij een ongeval ernstig inwendig letsel voorkomen worden. Met een gordelgeleider blijft de kans op dergelijk letsel aanwezig. Gebruik dus als het even kan liever een zittingverhoger.
Regels in het buitenlandDe regelgeving voor het vervoer van kinderen in de auto geldt in alle landen die aangesloten zijn bij de Europese Unie (EU), maar er kunnen wel verschillen zijn. In sommige landen moeten kinderen onder de 1,50 meter (in plaats van 1,35 meter) een kinderzitje gebruiken. Ook gelden niet overal alle uitzonderingen. Voor de juiste regels kunt u het beste contact opnemen met de autoriteiten van het betreffende land. Informatie over het gebruik van kinderzitjes in de belangrijkste vakantielanden van Europa vindt u in het dossier Vervoer van kinderen in het buitenland op de website van de ANWB
Uitzonderingen
Om de regels voor het vervoer van kinderen in een auto in de praktijk hanteerbaar te maken, zijn de onderstaande uitzonderingen opgenomen. Deze uitzonderingen gelden niet voor kinderen jonger dan 3 jaar, behalve in een taxi of bus. Kinderen jonger dan 3 jaar mogen uitsluitend vervoerd worden in een kinderzitje (dit geldt niet in een taxi of bus).
Te weinig gordelsZijn er meer passagiers dan gordels, dan mogen kinderen groter dan 1,35 meter en volwassenen zonder gordel op de achterbank zitten, zolang de aanwezige gordels door de andere passagiers worden gebruikt. Dit geldt tot 1 mei 2008. Daarna mag in een auto niemand meer zonder gordel (voor zover aanwezig) worden vervoerd. Gordels mogen niet worden gedeeld.
Te weinig plaatsAls er op de achterbank van een auto al twee kinderzitjes in gebruik zijn, is er vaak geen plaats meer voor een derde. In dat geval mag een kind van 3 jaar of ouder op de overgebleven zitplaats de gordel gebruiken.
Geen gordels achterinAls er op de achterbank geen gordels aanwezig zijn, kan er geen autostoeltje worden vastgemaakt. Kinderen jonger dan 3 jaar mogen dan niet op de achterbank vervoerd worden. Kinderen van 3 jaar of ouder en volwassenen mogen, als er op de achterbank geen gordels aanwezig zijn, los op de achterbank zitten.
Geen gordels voorin én achterinAls zowel voorin als achterin de auto geen gordels aanwezig zijn, mogen kinderen tot 3 jaar niet worden meegenomen. Kinderen van 3 jaar of ouder mogen in een auto zonder gordels niet voorin zitten als ze kleiner zijn dan 1,35 meter.
Vervoer van andere kinderenVan ouders en pleegouders wordt verwacht dat ze voor hun eigen kind een kinderzitje in de auto hebben. Maar er rijden misschien ook wel eens andere kinderen mee. Voor hen kan niet altijd een kinderzitje aanwezig zijn. Bij dit soort incidenteel vervoer over beperkte afstand (maximaal circa vijftig kilometer en dus niet op een vakantiereis) volstaat het gebruik van de gordel op de achterzitplaatsen voor kinderen vanaf 3 jaar (maar niet de eigen kinderen). Als dit regelmatig voorkomt is het veel veiliger om voor één of meer extra kinderzitjes te zorgen.
Taxivervoer en busvervoerIn bussen en op de achterbank van een taxi is een kinderzitje niet verplicht. Kinderen vanaf 3 jaar en volwassenen moeten de gordel gebruiken (voor zover aanwezig). Kinderen jonger dan 3 jaar mogen in bussen en op de achterbank van een taxi zonder gordel vervoerd worden. Neem bij voorkeur geen kind op schoot, want dat is riskant bij een frontale botsing.
Bron: Postbus51
